Elementaire lastechnieken – Ghia Varia 046, pag. 15

Geplaatst op

klik hier hier voor de Ghia Varia’s (wel eerst inloggen)

De elementaire technieken van het lassen

Bij het fabriceren van auto’s werd (en wordt nog steeds) het laswerk grotendeels uitgevoerd door middel van het zogenaamde puntlassen. Dat geldt voornamelijk voor het samenstellen van een zelfdragende carrosserie. Bij het restaureren zijn twee technieken toepasbaar. Het puntlassen en het proplassen.

  • Het puntlassen

Bij het puntlassen worden de te verbinden stukken plaatwerk met behulp van twee dikke koperen polen met kracht
tegen elkaar gedrukt. Vervolgens wordt een sterke stroom (circa 5 à 10 duizend Ampère) via deze polen door het laspunt gestuurd. Feitelijk is er hier gewoon sprake van kortsluiting. Door de weerstand in het materiaal wordt er warmte ontwikkeld. Tussen de polen smelt het materiaal aan elkaar. Er wordt bij dit proces geen extra materiaal toegevoegd.

De lasplaatsen zijn rond en hebben een diameter van circa 4 tot 6 millimeter.

Vaak zijn de lassen makkelijk herkenbaar doordat het metaal op deze plaatsen door het smelten enigszins ingedeukt is. Een lasnaad wordt gevormd door het puntlasproces om de 2 cm te herhalen. Een dergelijke verbinding is dus niet volledig ‘afgelast’. Er zit ruimte tussen de twee delen waar vocht tussen kan komen. Bovendien zal tijdens hetlassen al oxidatie plaats vinden. Bij veel oudere auto’s zijn de puntlassen dan ook erg makkelijk terug te vinden (!).

Het lijkt voor de hand te liggen om nieuw plaatwerk ook weer met puntlassen vast te zetten. Dat levert echter een aantal problemen op. Puntlassen kan alleen als de lasplaats van beide zijden goed bereikbaar is en de tang er omheen kan.

Het puntlasapparaat kan voor dat doel voorzien worden van speciaal gevormde of langere armen. Toch kan het gebeuren dat men met het puntlasapparaat niet goed uit de voeten kan. In dat geval zal met een andere wijze van lassen moeten kie-
zen. Bijvoorbeelden het proplassen met een MIG/MAG lasapparaat.
Puntlasapparatuur vereist een krachtstroomaansluiting (400 V). Er bestaan wel uitvoeringen voor 230 Volt echter die gebruiken te veel stroom voor een normaal 16 ampère huisinstallatie.

Puntlasapparaten zijn helaas vrij prijzig en om eerder genoemde reden niet geschikt voor al het laswerk. Als apparaat erbij (naast een MIG/MAG lasapparaat) is het echter zeer aan te bevelen.

  • Het proplassen

Gelukkig bestaat er een simpele techniek, het maken van proplassen, waarmee we met een eenvoudig Mig/Mag lasapparaat vrijwel hetzelfde effect kunnen bereiken. Als amateur kan je op deze wijze met eenvoudige middelen erg ver komen. Vrijwel al het laswerk aan de carrosserie van een auto is zo uit te voeren. Bovendien voldoet deze methode aan de eisen die voor de APK
worden gesteld.

  • Het maken van proplassen

We beginnen met het maken van gaatjes in één van de twee te bevestigen plaatdelen. Meestal maken we die gaatjes in het reparatiedeel. In ieder geval moet het gaatje straks bereikbaar zijn met de lastoorts. Dat betekent dus in de praktijk dat we hiervoor de ‘buitenste’ plaat gebruiken. Het is mogelijk om deze gaatjes te boren. Het gaat echter beter, en een stuk makkelijker,
als je gebruik maakt van een ponstang.
Met deze tang maak je moeiteloos een hele serie gaatjes van exact 6 mm.
Door de instelbare aanslag kunnen bovendien alle gaatjes op exact dezelfde afstand tot de rand van de plaat worden gemaakt. Boren kan dus wel maar levert een minder mooi resultaat op. Door de warmteontwikkeling kan de plaat ook vervormen. De onderlinge afstand van de gaatjes moet ongeveer 2 cm zijn. Dat wordt vereist voor de APK.

De volgende bewerking is alleen nodig als we de twee plaatdelen ‘vlak’, dus in het verlengde van elkaar, willen verbinden. Dat komt vaak voor bij het repareren van portieren, spatbordranden, achterhoeken etc. In de eerste plaat, zoals gezegd meestal het reparatiedeel, hebben we dus al de nodige ponsgaatjes gemaakt. Vervolgens maken we aan het tegenliggende plaatwerkdeel een
soort Z-vormige rand. We noemen dat een verzet en doen dat dan ook met de speciaal hiervoor bedoelde verzettang.

De verzettang heeft een bek van ongeveer 2 cm breed waarin dit profiel, een verdieping van ongeveer 1 mm, terug te vinden is. Door aan de rand van de plaat te beginnen kunnen we telkens een klein stukje verzet aanbrengen. Als we de tang iedere keer ongeveer 1 tot 1,5 cm opschuiven krijgen we een keurig strakke rand. Het maken van een verzet heeft nog een bijkomend voor-
deel. Door het aanbrengen van een profiel wordt de plaatrand verstevigd en zal de naad er uiteindelijk strakker gaan uit-
zien. De kans op kromtrekken tijdens het lassen wordt daardoor ook iets verminderd. Zonder een verzettang is het niet echt mogelijk een dergelijke rand te maken. Pons- en verzettangen zijn te koop als afzonderlijke stukken gereedschap maar ook in combinatievorm, de zogenaamde pons/verzettang. Afzonderlijke tangen zijn bij elkaar iets duurder maar werken in de praktijk wel een stuk handiger.
Als de ponsgaten en het verzet zijn gemaakt klemmen we de platen goed strak tegen elkaar. Dat kan wel eens lastig zijn maar is bijzonder belangrijk.

We gebruiken hiervoor klemtangen, lijmtangen, speciale lastangen, alles wat maar klemmen wil en hittebestendig is.
Soms lukt het desondanks niet goed omdat de tang domweg niet op de juiste plaats is aan te brengen. In dat geval kun je ook de platen met kleine zelftappertjes aan elkaar schroeven. Controleer nu of alles precies op de juiste plaats zit. Als we eenmaal beginnen te lassen dan is het te laat.

Het lassen zelf is relatief eenvoudig. We mikken niet de lastoorts op het midden van het gaatje. Daarna circa 2 à 3 seconden de knop indrukken. Als het goed is vloeit het gat vanzelf mooi dicht. Het is belangrijk dat er in korte tijd vrij veel warmte wordt toegevoerd.
Op de lasplaats moet het materiaal van de onderste plaat samensmelten met de het toegevoegde materiaal èn het materiaal van de bovenste plaat. Als de lasplaats niet warm genoeg wordt ontstaat er een broze las die je zo weer los trekt. Maak je het te warm
dan loop je het risico dat je grote gaten in de plaat brandt. Bovendien moet je voldoende, maar ook weer niet teveel, lasdraad toevoeren om een mooie vlakke las te creëren. Het vinden van de juiste afstelling van het lasapparaat vergt enige oefening en ver-
schilt ook per lasapparaat (zie instellingen hiernaast).

Als alles goed is dan gaat het lassen gepaard met een zacht gezoem en weinig of geen gespat en gesputter. De lasplaats wordt dan vaak vanzelf mooi opgevuld en behoeft nog slechts weinig of geen nabewerking. Aan de achterzijde van de las kun je zien of de ‘inbranding’ voldoende is. Bij een goede las is aan het metaal aan de achterzijde duidelijk te zien dat het gesmolten is.

Volgens sommigen krijg je de mooiste proplassen door tamelijk grote gaten in de te bevestigen plaat te maken. Denk aan 8 tot 10 mm. Vaak hebben we echter niet voldoende ruimte om zulke grote gaten te maken. We zullen het meestal met gaten van 6 mm moeten doen. Dat is ook de maat van de gaten die de ponstang maakt.

Bron: www.rustbusters.nl
Tot zover de technieken van het lassen, die de deelnemers aan de lasworkshop uitgebreid hebben kunnen oefenen.

Met vriendelijke groet, Patrick Baptist

 

Geef een reactie